Wanneer niemand het zag

De mannen troffen elkaar in de trein. Eén van hen oogde wat stug. Hij was er het eerst. Zijn kale hoofd glom in het vroege zonlicht. Zijn vriend, een wat onzeker lijkende vijftiger met gekleurde bril schoof gehaast naast hem en wiebelde onrustig met zijn voet. Ik zag de dikke gouden trouwring om Kaleman’s vinger.
Brilman legde zijn -tevens beringde- hand op het been van Kaleman. Er was een misverstand over de planning. Kaleman had gedacht dat Brilman een kwartier eerder zou komen.

Ik had geen idee, dat heb ik gemist geloof ik, dat ‘ie ook eerder reed. Kaleman zuchtte. Hij zei dat het gewoon op de website stond, maar Brilman was nu eenmaal niet zo handig. Het ging over geven en nemen. Kaleman had eigenlijk een dagje willen fietsen, en nu was Brilman ook nog eens te laat.
Je moet geven en nemen, hier hebben we het al zo vaak over gehad.. Brilman keek wat wanhopig. Ja dat weet ik wel, maar ik hou nu eenmaal niet van fietsen, je doet me er geen pleziér mee. Kaleman haalde zijn schouders op en keek uit het raam. Maar je kunt ook denken, ik doe het eens voor hém. Brilman liet zijn hoofd hangen. Ik ben niet zo aanpakkerig als jij. Maar ik wil het wel hoor. Maar dan wel met korte-broeken weer. Kaleman haalde zijn schouders op. Ja.. zuchtte hij. Sorry.. zei Brilman en hij boog zich naar hem toe. Hoe gáát het verder met je? Kaleman vertelde dat hij weer een kleinkind had gekregen. Hij moest maar eens naar Leiden toe. Brilman had ze ook al een tijdje, kleinkinderen, maar hij zag zijn dochters en hun kinderen niet zo vaak. Wij hebben niet zo’n natuurlijke opa- en omarol zoals jullie. Ik hoor ook niet zo vaak iets van Margot. Kaleman wees hem terecht: Ja, maarja jij bent ook niet zo’n initiatiefnemer. Jullie lijken nogal op elkaar.
Ja we lijken op elkaar.
Vandaag gingen ze naar het Dordts museum. Brilman wilde weten hoe ze er kwamen. Kaleman zei we zien het wel. Toen viel het eventjes stil. Ja, maar… probeerde Brilman, maar hij kreeg geen kans. Joh we vragen het wel aan iemand. Komt wel goed.

Ik bekeek hun ringen. Ze leken echt niet op elkaar. Brilman schoof nog wat dichterbij. Legde nu zijn hand op Kaleman’s arm. Hee maar eh, jij hebt al koffie tot je genomen in Apeldoorn? Ja, ja, zei Kaleman. Maar wat we doen: we stappen straks uit in Rotjeknor, gaan even uitgebreid het nieuwe station bekijken, doen even een koffie met appelgebak en dan gaan we wel eens verder kijken hoe en wat. Brilman knikte. Ja, ja. Okee, ja. Ik vond dit verwarrend. Ik dacht dat ze naar het Dordts museum gingen. Kaleman sloeg zijn armen over elkaar.

De trein schoof voorbij aan weilanden vol wollige knuffelbare schapen. Kaleman staarde ernaar. Ik stelde me voor hoe hij zich inbeeldde daar nu te hebben kunnen fietsen. Met de wind in zijn rug en zijn hand in die van Brilman. Ze hadden een rugzak mee kunnen nemen met krentebollen erin en een flesje witte wijn. In het gras hadden ze naar de wolken kunnen kijken en gepraat over dat wat alleen zij van elkaar begrepen.
Zijn blik verraadde zijn teleurstelling. Deze zachte schaapjes maakten het vast niet beter.

De rest van de rit bleef het stil. Dat knuffelen zou vast later nog wel komen. Na de koffie met appelgebak. Met een lange gecompliceerde zoen.
Wanneer niemand het zag.

Advertisements

2 thoughts on “Wanneer niemand het zag

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s