Kernteam

Het kernteam valt bepakt en bezakt
de overvolle treingang binnen
schreeuwt over vergaderingen
zegt ja maar nee, en ja, maar toch

Met veertien man moeten we horen
hoe de agenda’s keihard botsen
hoe ze op de directie kotsen
hoe jeugdzorg moet worden gebeld

Meneer Snor beschermt zijn standpunt
alsof zijn leven ervan afhangt
terwijl ook hij naar rust verlangt
maar ja je weet wel hoe dat gaat

Meneer Bril danst met zijn schouders
speelt de wijze van het stel
ja hij begrijpt het allemaal wel
maar goed er moet toch iets gebeuren

Meneer Baard zoekt de discussie
terwijl zijn tas mijn heup bezeert
meneer Snor zich weer verweert
zo komt het nooit tot een akkoord

Na veertig lange luidruchtige minuten
van defensief haantjesgedrag
en uitgekiend politiek gelach
valt het kernteam even stil

Ik betrap mezelf op staren
mijn wenkbrauwen zweven boven mijn hoofd
mijn heup voelt nu ietwat verdoofd
er is slechts ruis nog, in mijn hoofd

Nouja, luidt dan eindelijk de conclusie
praten ze er morgen over door
maar zo kan het echt niet langer hoor
Eet smakelijk Snor,
Eet smakelijk Bril,
Eet smakelijk Baard.

Advertisements

Wanneer niemand het zag

De mannen troffen elkaar in de trein. Eén van hen oogde wat stug. Hij was er het eerst. Zijn kale hoofd glom in het vroege zonlicht. Zijn vriend, een wat onzeker lijkende vijftiger met gekleurde bril schoof gehaast naast hem en wiebelde onrustig met zijn voet. Ik zag de dikke gouden trouwring om Kaleman’s vinger.
Brilman legde zijn -tevens beringde- hand op het been van Kaleman. Er was een misverstand over de planning. Kaleman had gedacht dat Brilman een kwartier eerder zou komen.

Ik had geen idee, dat heb ik gemist geloof ik, dat ‘ie ook eerder reed. Kaleman zuchtte. Hij zei dat het gewoon op de website stond, maar Brilman was nu eenmaal niet zo handig. Het ging over geven en nemen. Kaleman had eigenlijk een dagje willen fietsen, en nu was Brilman ook nog eens te laat.
Je moet geven en nemen, hier hebben we het al zo vaak over gehad.. Brilman keek wat wanhopig. Ja dat weet ik wel, maar ik hou nu eenmaal niet van fietsen, je doet me er geen pleziér mee. Kaleman haalde zijn schouders op en keek uit het raam. Maar je kunt ook denken, ik doe het eens voor hém. Brilman liet zijn hoofd hangen. Ik ben niet zo aanpakkerig als jij. Maar ik wil het wel hoor. Maar dan wel met korte-broeken weer. Kaleman haalde zijn schouders op. Ja.. zuchtte hij. Sorry.. zei Brilman en hij boog zich naar hem toe. Hoe gáát het verder met je? Kaleman vertelde dat hij weer een kleinkind had gekregen. Hij moest maar eens naar Leiden toe. Brilman had ze ook al een tijdje, kleinkinderen, maar hij zag zijn dochters en hun kinderen niet zo vaak. Wij hebben niet zo’n natuurlijke opa- en omarol zoals jullie. Ik hoor ook niet zo vaak iets van Margot. Kaleman wees hem terecht: Ja, maarja jij bent ook niet zo’n initiatiefnemer. Jullie lijken nogal op elkaar.
Ja we lijken op elkaar.
Vandaag gingen ze naar het Dordts museum. Brilman wilde weten hoe ze er kwamen. Kaleman zei we zien het wel. Toen viel het eventjes stil. Ja, maar… probeerde Brilman, maar hij kreeg geen kans. Joh we vragen het wel aan iemand. Komt wel goed.

Ik bekeek hun ringen. Ze leken echt niet op elkaar. Brilman schoof nog wat dichterbij. Legde nu zijn hand op Kaleman’s arm. Hee maar eh, jij hebt al koffie tot je genomen in Apeldoorn? Ja, ja, zei Kaleman. Maar wat we doen: we stappen straks uit in Rotjeknor, gaan even uitgebreid het nieuwe station bekijken, doen even een koffie met appelgebak en dan gaan we wel eens verder kijken hoe en wat. Brilman knikte. Ja, ja. Okee, ja. Ik vond dit verwarrend. Ik dacht dat ze naar het Dordts museum gingen. Kaleman sloeg zijn armen over elkaar.

De trein schoof voorbij aan weilanden vol wollige knuffelbare schapen. Kaleman staarde ernaar. Ik stelde me voor hoe hij zich inbeeldde daar nu te hebben kunnen fietsen. Met de wind in zijn rug en zijn hand in die van Brilman. Ze hadden een rugzak mee kunnen nemen met krentebollen erin en een flesje witte wijn. In het gras hadden ze naar de wolken kunnen kijken en gepraat over dat wat alleen zij van elkaar begrepen.
Zijn blik verraadde zijn teleurstelling. Deze zachte schaapjes maakten het vast niet beter.

De rest van de rit bleef het stil. Dat knuffelen zou vast later nog wel komen. Na de koffie met appelgebak. Met een lange gecompliceerde zoen.
Wanneer niemand het zag.

Burda was een kunstenaar

Vandaag hebben we het over:

Lekkere wolletjes
Krokodillenleren paarden
Hanen met vleugels van kralen
Veren van lichtpaars fluweel
Bloedvaten
Hoe heet ze ook weer, maar niet mc Cartney
Dat is écht wat voor Marleen
50+ museumkorting
Waar gaan we dan de volgende keer heen?

Ik heb 64 foto’s
Zelf heb ik niets gezien
Vanavond kipfilet met spekkies?
Of een verse worst misschien.

Liefde van Jezus

Tussen Arnhem en Utrecht ontvingen we een gedicht.
Het licht, de liefde van Jezus.
De spreker wenste ons muziek toe en geluk, warmte voor de mensen om ons heen.
De spreker was een man met een koffer. Zijn huid leek zacht als was. Zijn pak was crème gekleurd.
En hij leek het te menen.

Even twijfelde ik aan mezelf, want niemand keek naar deze man, zoals hij hier in het gangpad stond.
Zijn linkerhand in de lucht. Zijn koffer in de rechter.

Verveeld keek men uit het raam.
Zat op de telefoon te typen.
At een boterham met worst.
Las de krant.
Luisterde naar muziek.

Niemand keek.

Het leek hem niet te deren. Onvermoeibaar droeg hij voor.
En ineens voelde ík me de gek, tussen allemaal andere gekken.
Tegelijk was het ook wel weer een soort van mooi, zoals niemand zich er iets van aan leek te trekken.
Hij glimlachte, boog en gaf een knikje. Aan ons allemaal.
Ik voelde een applaus aankomen. Een staande ovatie. Of op zijn minst geroezemoes.
Maar het bleef stil.
En toen was hij weg.
Het licht en de liefde van Jezus verdwenen in Veenendaal-De Klomp.

Buiten leek het ineens iets lichter.

Internet

Internet in de trein
Klinkerpret in het klein:
“Aaaaaaaa!”
“Iiiiiiiiiiieeee!”
Zoveel geduld doet pijn

Kijk, maar het werkt, wat fijn,
om even online te zijn
OH NEE HET WAS MAAR SCHIJN
rookwolkjes uit haar brein

“Dat bord hangt er voor de gein!”
Internet in de trein

Internet
Splinternet
Printerplet
Kletterdret
Petteflet

Ze Plukt wel en ze Stampert
als nieuwsgierig maar boos Aagje
met een Pen in het Portier
Misschien wordt het dan wat Helderder
in dat prutnetwerk van hier!

Meneer de Munck uit Koningsoord

Het was donderdag 19.00. Ik plofte neer op een vierzits in een tussencoupé in de trein van Rotterdam naar Nijmegen. In mijn linkerhand een patatje oorlog en in mijn rechter een tas vol mappen en muziekpapier en een heleboel spullen die ik die dag niet nodig had gehad. Ik schoot al bijna in de treinmodus. Een eigen kleine wereld met weinig ruimte voor impulsen.

Op het laatste moment stapte hij in. Een oude man met lang grijs haar. Hij kwam maar langzaam vooruit, had duidelijk moeite met lopen. Maar zijn glimlach was overtuigend. De blik in zijn ogen ondeugend. Hij draaide zich nog even om naar een jonge man op het perron en vroeg: Heb ik wel ingecheckt?
“Jaaha, je hebt ingecheckt. Ga nou maar zitten”.

Hij koos zijn plaats tegenover mij en wenste me smakelijk eten. Verwoed groef hij in zijn tasje, in zijn zakken, schoof een paar keer op zijn stoel en uiteindelijk zat hij dan, tevreden en voldaan. Hij vroeg waar we waren. “Oja, Rotterdam”.
De man had prachtige verhalen. Hij vertelde over zijn reizen. Naar Afghanistan en Pakistan. Naar Nepal en Bhutan. Hij vertelde over de theocratie. Over zijn kinderen. Over zijn ex. “Ik hou nog zo van haar, het is zo jammer dat ze weg is, maar ze haalt me dadelijk op van de trein”. Met haar had hij zulke mooie reizen gemaakt.
De man had een lange afstand te gaan. Helemaal naar Groningen. Maar zijn ex, zijn ex zou hem ophalen. Hij woont namelijk buiten de stad. In een dorpje genaamd Koningsoord. Zij zou hem thuisbrengen. Ze zorgde zo goed voor hem. Ze zorgde dat hij de medicijnen nam die hij moest slikken van die geneesheer. Vanwege zijn benen. Ze was wel wat jonger hoor. Dertig jaar.
Ik vroeg hem of hij wel eens naar Groningen ging. Elke week. Hij was namelijk model voor een tekenklas. En hij had daar vrienden.

De conducteur vroeg om onze kaartjes. De man wist niet meer waar het was. De conducteur zou zo wel terugkomen. Opnieuw greep hij met zijn oude handen naar zijn tasje en zijn zakken. Oja, zijn portemonnee. Hij fronste en keek naar het gele kaartje. Was dat zijn ov-pas?
Toen de conducteur terug kwam was hij vergeten waar dat verdomde ding nou ook weer was. Gelukkig had ik goed opgelet. Dat was dat.
“Waar was ik gebleven?”

Niet alleen reizen had zijn hart vervuld. Ook zijn liefde voor amateurfilm. Blikken vol 8mm film had hij thuis. Zijn leven lang had hij alles gefilmd. Mooie verhalen vertelde hij over zijn dochter, de dichteres. Zijn huis was een lijst voor haar gedichten. Helaas was ze overleden. Ze had zo prachtig geschreven.
Tegenover me zat een man die zijn leven naar meer dan tevredenheid had geleefd. Hij was nu 86.
“Meisje, de wereld is zo mooi”.
Ik vertelde hem over mijn camper en dat we vorige zomer ons eerste reisje hadden gemaakt. Naar Slovenië en Kroatië en Montenegro. Hij knikte tevreden en glimlachte naar me met zijn felblauwe ogen.
Hij zei: Ik heb nog maar één wens. Ik zou zo graag nog eens naar Suriname gaan.
Maar of dat nog ging lukken wist hij niet. Hij drukte me nog wel op het hart dat als het niet meer zou gebeuren, hij geen spijt zou voelen.

Vlak voordat ik uitstapte vertelde hij me nog één ding. Vol trots. Want, misschien wel al twaalf of dertien jaar geleden, was Man bijt hond langs geweest. Ze reisden van Koningsoord naar Mariadorp.
Hij was het eerste adres geweest waar ze waren gekomen.
Hij kreeg de opname thuis gestuurd met een aller aardigst briefje van een vriendelijke mevrouw. “Wie weet tot ziens”
Maar hij had ze sindsdien niet meer gezien.
Met een grijns van een man die zich bewust was van zijn kleine en grote dromen en die daar volledig van kon genieten zei hij nog: Wie weet.

Toen ik uitstapte schudde ik hem de hand. Hij draaide zijn hoofd, keek me aan en zei: Veel geluk meisje, veel geluk.
Niet eerder voelde ik dat iemand dat zo oprecht meende als hij op dat moment.

Thuis zocht ik het filmpje op. Het ontroerde me. Ik had hem niet meteen herkend. De tijd heeft duidelijk zijn sporen achtergelaten.
Verward over de details van alledag, zijn zijn herinnering aan het leven en zijn kijk op de wereld nog glashelder.

Zou het niet mooi zijn als ze deze man nog eens op zouden zoeken?

Bekijk hier de video van Man bijt hond: http://www.manbijthond.nl/fragmenten/landkaart-en-kompas

De keizer

Er zat een keizer bij het raam
Hij zat op een troon
Om zijn pink een gouden ring
Zijn zwarte pak was zijn kroon

Ik wilde zijn voeten kussen
Ik wil nooit iemands voeten kussen
Om hem heen
werd alles stil
Ik hoorde niets meer

De keizer heerste
Bepaalde de loop der dingen
met één beweging van zijn vinger
Liet de zon verdrijven
door donderwolken en duisternis
Ontnam me mijn adem
Bracht me tot zwijgen
Maakte me nederig

In stilte staarde hij naar buiten
Hij keek naar dat wat hij bezit
Ik stierf langzaam onder zijn glimlach
Sinister en toch
rustgevend
Levensgevaarlijk
Ik raakte verlamd
Zat vastgezogen aan mijn stoel

Er zat een keizer bij het raam
Heerser over het rijk der geheimen
Baas van angst en van vergelding
van heroïek en erotiek
van tijd en ruimte
akoestiek
Incarnatie van gevaar

Kijk nooit in zijn ogen

Hoog Catharijne

Dat hondje met die kleine krulletjes
die hangoren
en korte pootjes
ik snap dat hondje wel

Als ik hem was geweest
en ik werd door mijn baasje
aan mijn kekke lijntje
veel te snel over Hoog Catharijne gesleept
tussen hónderden mensen
gestrand op de lelijkste plek van Nederland
scheldend, zuchtend, stampend,
dan had ik ook overal tegenaan willen plassen.

Ja, ik had het ook gedaan.
En had mijn baasje ook zo getrokken,
dan was ik op mijn rug gaan liggen
met mijn korte pootjes in de lucht
schuivend over de vieze tegelvloer
en had onbeschaamd
langzaam
vol overtuiging
over mezelf heen gepiest.

Met mijn hondenlipjes getuit
had ik daarbij gejankt als een hele roedel wolven.
Als tién roedels wolven.

Eens zien wat hij dan had gedaan.

Ik wou dat ik dat hondje was.
Ik had me slap gelachen.

Het make-up meisje

Tegenover me zat een meisje van ik schat bijna twintig. Ze was erg mooi.
Het winterse zonlicht bescheen perfect haar gezicht. Haar ogen hadden een kleur die het midden hield tussen grijs en blauw. Haar huid was gaaf en zag er uit alsof het net zo zacht was als een schapenkleedje (wat gek is natuurlijk, zo zonder wol). Haar mond was perfect gevormd. Symmetrisch, volle lippen, niet te groot voor haar fijne gezicht. Haar dikke bos donker glanzend haar was in een nonchalant staartje gedaan.

De trein reed over het hobbelige spoor richting Utrecht. Ze opende de grote handtas op haar schoot en haalde er een spiegeltje uit met turquoise bloemetjes erop. Ze hield het in haar hand terwijl ze met de ringvinger van haar andere hand haar wang iets naar beneden trok en met een oogpotlood tussen duim en middelvinger een grijs lijntje onder haar ogen maakte. Ik verbaas me er altijd over hoe kundig sommige meisjes dat kunnen, zo met één hand in een bewegende trein. Als ik dat zou proberen zou het op mijn kin belanden vermoed ik. Minstens. Ik zou eruit zien als Sneeuwwitje die na een nacht vol drank en drugs zich onder handen had laten nemen door zeven dwergen en vervolgens een nacht door de regen had gelopen. Maar dit meisje draaide haar hand er niet voor om.
Soms knipperde ze met haar ogen terwijl ze naar het plafond keek waarna ze zichzelf opnieuw bekeek en het lijntje wat aanpaste. Het was duidelijk dat ze precies wist wat ze wilde zien en nam er dan ook ruim de tijd voor. Draaide haar hoofd iets naar links. Draaide haar hoofd iets naar rechts. Keek dan opnieuw in het spiegeltje. Eerst van veraf, daarna van dichtbij.

Naast haar zat een oudere vrouw met haar dat nog niet overtuigend grijs was, maar ook niet meer het kastanjebruin van vroeger. Ze had een ribfluwelen broek aan en draaide haar hoofd zo nu en dan om het meisje te bekijken. Zij had ook oogpotlood op. Blauwe. Het was alleen niet zo effectief, omdat er vlak onder haar ogen wat rimpeltjes zaten die de boel verhulden. Ik probeerde me voor te stellen wat ze dacht. Misschien vond ze het ijdel, misschien vond ze het bewonderenswaardig. Misschien ook deed het haar denken aan vroeger en kwamen er nu herinneringen boven die al jaren verborgen waren geweest. Misschien bedacht ze zich dat ze ook eens grijze oogpotlood moest proberen.

Nu was het tijd voor de mascara. Ze grabbelde in haar tas en haalde er één tevoorschijn. Het was een blauwe, dat was niet goed. Ze grabbelde verder en draaide er nog één open. Deze was bruin, dat was ook niet goed. Uiteindelijk vond ze de juiste: de zwarte.

Even kundig kleurde ze haar wimpers donker en ik raakte steeds meer onder de indruk. Vooral ook van het effect: de kleur van haar ogen leek steeds helderder te worden. Ineens werd ik aangestaard door twee grote bambi-ogen. Als ik een man was geweest, of op vrouwen had gevallen, was ik nu spontaan in katzwijm geraakt. Nu voelde ik me vooral betrapt. Wat onhandig deed ik alsof het toeval was dat we elkaar aankeken en ik richtte mijn blik snel uit het raam. Het leek haar niet echt iets te kunnen schelen.
Daar zaten we dan. Twee generaties die een derde nauwkeurig in haar bewegingen volgden.

Toen haalde ze een tube tevoorschijn. Ze plaatste met het spul vlekjes op haar wangen, kin, voorhoofd en neus. Verhip, daar zag ik moedervlekjes. Ik had ze nog niet eens gezien. Ze waren me totaal niet opgevallen. En nu smeerde ze er zomaar creme overheen in de kleur van haar huid. Weg waren de moedervlekjes.
Mijn bewondering maakte plaats voor teleurstelling. Een licht verdriet, bijna.

Moedervlekjes, die hebben toch wel iets heel bijzonders. Het zijn de kleine geheimpjes op iemands lichaam die je nooit meer vergeet. Je gaat je eraan hechten. Je onthoudt ze, ookal ben je allang niet meer samen. Houd je allang van nieuwe moedervlekjes. Ik dacht terug aan mijn eerste vriendje. Nu, vijftien jaar later weet ik nog steeds waar ze op zijn lichaam zaten. Zo vaak had ik ze gekoesterd en gevolgd met mijn vinger. Stip, stip, stip op zijn bovenarm. Onder de haartjes op zijn buik. Ik hield van die stipjes.
Ik keek weer naar het meisje. Net zat hij er nog: een klein licht moedervlekje links naast haar neus. En nu was hij weg. Haar huid leek nog gaver. Ze had zo een foto uit een magazine kunnen zijn. Ik vond het jammer.
Toen ze daarna haar haren los deed was de perfectie compleet. Ze was nog steeds mooi, absoluut. Maar haar houding was veranderd en haar ogen pasten er niet meer bij.

In Ede-Wageningen stapte ze uit. Ik probeerde me voor te stellen wie ze op het station zou treffen. Zouden het haar vriendinnen zijn? Meiden die stilletjes tegen haar schoonheid opkeken? Of misschien haar vriendje. Zou hij doorhebben dat ze er zoveel moeite in stopte om hem zo mooi mogelijk tegemoet te komen lopen?
Of misschien ging ze wel naar haar werk. Werk in een koffiehuis waar niemand haar echt zag en ze een lelijk bedrijfsshirt moest dragen.

Ik doe het ook, elke ochtend. Als een gewoonte. Streepje hier, streepje daar. Wat mascara. Het is niet veel. Heb ik ook moedervlekjes in mijn gezicht? Ik zou het niet weten. Mijn vriend vindt het maar raar, dat geschilder. Vind ik mezelf eigenlijk mooier met make-up?
Zou haar vriendje haar mooier vinden zonder?

En toen moest ik ineens denken aan dit clipje.
Ach.
Zo erg was het allemaal nu ook weer niet.

Rennen

Grappig hoe mensen heel hard gaan rennen
als ze op het perron aankomen en zien dat hun trein er al staat
terwijl ze nog vijf minuten de tijd hebben om in te stappen
Vooral omdat andere mensen dan óók gaan rennen
gewoon omdat anderen het doen.

Lekker rennen met zijn allen.